25 Maart 1999
Hier weer een stukje over Guatemala . Zoals je kunt lezen gaat het ons uitstekend . Guatemala is het mooiste land waar we ooit gefiets hebben maar ook het zwaarste. Met de benen en de gezondheid gaat het ook boven verwachting. Alleen zijn onze magen, ook na een goede training, nog niet altijd opgewassen tegen het eten hier. Gelukkig weten de apatheken wel raad met dit soort zwakke toeristen klachten en krijgen we steeds de goede chemicalien.Vanuit Benemerito in Mexico reizen we per vrachtboot naar Sayaxche, Guatemala, over de rio Usmacinta en de rio Passion. De vrtachtboot is niets meer dan een uit de kluiten gewassen houten kano die zakken mais en buitenlanders met een fiets vervoerd. In sayaxche nemen we de andere dag de pont om naar Flores te fietsen. De pont bestaat uit een ponton die aan de zijkant wordt aangedreven door twee buitenboord motoren achter elkaar. Een uniek concept dus, maar de schipper is er erg handig mee. De weg naar Flores is vreselijkslecht, met veel gaten, losse stenen en heel veel stof. Het stof probleem is gauw opgelost als het gaat regenen. Dat geeft echter andere problemen want de modder blijkt te kleven als poppetjes klei.Binnen korte tijd zit alles onder, inclusief wijzelf door de langsrijdende bussen en vrachtauto´s. Egaal lichtbruin komen we aan in Santa Elena even buiten het vreslijk toeristische Flores. Vanhieruit rijden we om het Lago de Peten naar Tikal, waar we de tent mogen opzetten bij de bewakers. De andere morgen rijden we om 6 uur door naar Tikal. We zien onderweg al wat dieren maar als we in Tikal direct doorlopen naar de meest afgelegen ruines zien we er nog veel meer. We klimmen op een van de piramides en zien bondgekleurde papagaaien langsvliegen. In de verte horen we de brulapen en even later komt een brutaal neusbeertje even kijken of er nog wat van zijn gading is. We zien de zon langzaam hoger klimmen. Het is een wonderlijk gezicht de eeuwen oude ruines boven het bladendak van het oerwoud te zien uitsteken. Tikal is mooi gerestaureerd. Het is niet zo opgepoetst als in Mexico, waardoor het zijn misterieuze sfeer enigzins behouden heeft. Sommige ruines zijn slechts gedeeltelijk uitgegraven, zodat we een goed beeld krijgen hoe zoiets gevonden wordt. We brengen de hele dag op de site door en aan het einde van de dag rijden we terug naar het meer van Peten, waar we een eco camping vinden. Alles heet hier eco, hetgeen ingefluisterd moet zijn door een amerikaan. Het heeft echter niets te maken met het milieu, maar er sttat dan een hek om de afval stort en de voorzieningen zijn dan nog primitiever dan anders. Na enkele dagen fietsen we door naar Sayaxche, waar we de site van El Ceibal bezoeken. De weg erheen is een modderpoel waar alleen grote 4WD´s en fietsen kunnen komen. De meeste toeristen komen per boot. We brengen er de nacht door en vervolgen onze weg naar Coban. Eindelijkl gaan we de bergen weer in waar het s´nachts koeler is en we mooie uitzichten krijgen. De weg is echter heel beroerd en we worden bedolven onder dikke lagen stof. Onderweg slapen we in een schooltje waar we meteen veel bekijks trekken, vooral als we water halen bij de dorpsput. In Raxruha zijn alleen heel beroerde hotelletjes. Als we vragen of we bij een school mogen kamperen blijkt er een vriendelijke zuster te zijn die ons een keurige kamer met douche aanbiedt. Vermoedelijk vond ze dat nodig. We worden uitgenodigd voor de avondmis, hetgeen we uit nieuwgierigheid aanvaarden. Meneer pastoor blijkt een klein machootje te zijn, die rondrijdt in een te grote 4WD. In Guatemala blijkt een antitalent te bestaan voor muziek en zang. Zo ook hier. Het gezang in de kerk gaat door merg en been. Kinderen rennen in het rond achter meneer pastoor langs en weer naar buiten. De allerkleinsten die gaan huilen worden aan de borst gelegd. We worden ook nog voor het ontbijt en het avondeten uitgenodigd. Zo was dit een leuk verblijf. De weg wordt steeds beroerder, de bus doet hierover 100 km maarliefst 9,5 uur. Wij kunnen af en toe nog een paadje vinden zonder al te veel gaten en stenen. Langzaam maar zeker wordt het steeds steiler en steil in Guatemala betekent de overtreffende trap van steilst. De lucht giert de longen in en uit en het zweet barst er aan alle kanten uit. De slechte weg maakt alles nog lastiger. De eerste dag is het flink afzien, maar toch went ook dit en komen we er steeds makkelijker op. We komen door piepkleine dorpjes die tegen de berg aangeplakt lijken te liggen. De mensen zijn heel vriendelijk maar in de winkeltjes proberen ze je soms te neppen. Maar hier zijn we inmiddels aan gewend en un zeggen we gewoon dat we iets voor een bepaalde prijs willen hebben en dat is meestal goed. Even voor Coban komen we bij Lanquin waar we het natuurwonder van semuc Champey kunnen bekijken. De rivier stroomt er een enorme grot binnen en enkele honderde meters verder en lager er weer uit. Er boven stroomt ook wat water veel rustiger omlaag, waardoor terassen gevormd zijn. Een dag later komen we in Coban, een aardig provincie stadje. Helaas wordt ons verblijf ongewenst verlengt omdat Jeroen getroffen wordt door een vervelend beestje dat in het drinkwater voorkomt en de oorzaak is van diaree en buikkramp. Een dokter schrijft wat chemicalien voor zodat hij er met vijf dagen weer bovenop is. Het vervelende is alleen dat de zo moeizaam verkregen kracht en conditie ook voor een groot deel verwdenen zijn zodat de eerste dagen weer flink werken zijn. Niet et min is de beloning groot. Naast mooie panorama´s komen we door prachtige dorpjes waaar de vrouwen veelal nog in klederdracht lopen. Boven een prachtige rok dragen ze felgekleurde huipilles (is een soort wijde blouse) die vaak ook nog geborduurd zijn. Het is een fleurig gezicht. De mensen zien hier waarschijnlijk weinig buitenlanders, want als we door de dorpjes fietsen horen we overal Gringo, Gringo roepen. Iedereen komt dan zijn huisje uit om te kijken wat er dan is. De kinderen op school komen naar buiten en roepen en zwaaien, incl de meester. Als we terugzwaaien wordt het helemaal feest. We fietsen door koffieplantages waar heel hard gewerkt wordt. Arbeidsomstandigheden spelen hier absoluut geen rol; het is werk wat hier telt en werk betekent geld en eten. De zakken met koffie van ruim 60 kg worden op de rug gedragen aan een touw dat verbonden is met een band om het voorhoofd. Ook de vragen dragen soms dergelijke gewichten, maar dan in een mand op het hoofd. Vandaar dat zij allemaal zo klein blijven. Er wordt hier nog heel veel fysieke arbeid verricht. Helaas is de betaling vaak mininmaal. De beste grond ( en de meeste) is in handen van slechts enkele rijke families. De weg naar Sacapulas schijnt door een van de ruigste berggebieden van Guatemala te lopen, hetgeen wij kunnen beamen. Na verloop van tijd stuiteren we over een erbarmelijke weg met een dikke laag poeder erop omlaag. Hier steken we de rivier over om even verder weer naar dezelfde hoogte te klimmen. Als we tegen een enorme steile wand aankijken besluiten we te stoppen. We mogen in de school slapen en al gauw hebben we een heleboel kinderen om ons heen. De volgende dag vechten we ons de steile berg op. Vaak zijn het hellingen van meer dan 15% met uitschieters van rond 20%. Een enkele keer moeten we van de fiets af en duwen. Het is een hele worsteling om boven te komen, maar de omgeving vergoedt veel. In een klein dorpje zien we een suikerrietpers in werking. Een man loopt met 2 ossen rondjes, terwijl een andere suikerrietstengels erdoorheen duwt. Het sap wordt in een ondergrondse bak opgevangen. Op dit soort trajecten is de pijp snel leeg. Tegen het middaguur zijn we vaak al moe en zijn de spieren uitgeput. We hebben er dan soms pas 30 km opzitten, maar we houden het dan toch maar voor gezien. Zo doen we een aantal dagen over om in Sacapulas te komen. Het laatste stuk naar Sacapulas is een dag met een vette miezerregen. Dit levert een enorme modderpoel op en al gauw zitten we helemaal onder. De laatste para km gaat het omlaag wat maar goed is want de ketting en tandwielen zitten helemaal onder de modder en lopen geregeld vast. Eigenlijk wilden we hiervandaan naar Todos Santos fietsen, waarbij we een pas van 3500 m over moesten. Hierdoor zouden we echter juist een dag te laat voor de markt zijn. We laten de fietsen achter in Sacapulas en nemen de bus naar Todos Santos. Fietsen is soms erg zwaar, maar hier 5 u met de bus is minstens een even grote beproeving. De bussen zijn veelal oude Amerikaanse schoolbussen met banken die bedoeld zijn voor 2 paar kinderbillen. Hier zijn ze herbedoeld voor 3 paar grote mensen billen. Daarnaast is de ruimte tussen de banken veelal veel te krap voor onze te lange onderdanen. Niettemin is zo´n busreis ook weer heel interessant, want je ziet weer een heel andere kant van het leven hier. We vertrekken om 05:30 u uit Sacapulas en pikken onderweg allemaal mensen op, die met hun handel naar de markt gaan. Alles gaat mee met de bus, de conducteur zorgt ervoor dat alles vast komt te liggen op het dak, dat er betaald wordt en dat er zoveel mogelijk mensen in de bus kunnen. En dat zijn er hier heel veel. In Todos Santos lopen ook de mannen in klederdracht, een rode broek met strepen, een witte blouse met rode of paarse strepen en over de lange broek een soort in de lengte doorgeknipte korte broek. Op het hoofd dragen ze een klein hoedje met een blauwe band. Ook de vrouwen zien er weer geweldig uit met felgekleurde huipiles. De mensen zijn er enorm vriendelijk. ´s Avonds worden we lang wakker gehouden door een mis in de evangelische kerk die met grote luidspreker over het dorp schalt. De markt is een hele belevenis en een enorm kleurrijk spektakel. Mensen uit alle omliggende dorpen zijn er op hun paasbest naar toegekomen. De allerarmsten kunnen geen mooi kostuum kopen of maken en verkopen bijv kalkbrokken of een stuk brandhout voor 3 bananen. Tegn het middaguur loopt de markt opo zijn eind en rollen de eersten laveloos uit het café. Naast het zingen weten ze met drinken vaak ook geen maat te houden. Na afloop nemen we de bus weer terug naar Sacapulas en vervolgen we onze weg naar Chichicastenango. Ook hier zijn we weer precies op de maktdag. Hoewel het hier wel wat toeristischer is, is het weer een bontgekleurd spektakel. De verhouding toeristen-venters is zwaar in het nadeel van de venters, zodat de concurrentie zwaar is. Er wordt echter de prachtigste textiel verkocht. Vestjes, blouses, shirts, tafellakens, etc, , teveel om mee op te noemen en vooral om mee te nemen. Een pakje versturen vanuit Guatemala is ook niet echt een optie want dat kost ƒ110,- voor 1 kg. Het bijzondere in Chichi is verder dat de indiaanse bevolking het catolicisme heeft vermengt met de eigen oude riligies. Zo worden de voorouders vereerd en de geesten verdreven door offers op de trappen van de kerk, in de kerk en op het kerkhof. Helaas snappen sommige toeristen er weinig van en lopen zij tussen de offers door te fotograferen en duwen die camera letterlijk midden in iemands gezicht. We schamen ons soms dood. We rijden door naar Panajachel aan het meer van Atitlan. De weg is nu geasfalteerd en duikt steil omlaag om een beekje over te steken om er aan de andere kant weer uit te klimmen. Zo komen we voor het eerst een keertje over de Pan-American Highway te rijden, waar we na enkele minuten ook weer afgaan. Voor het eerst merken we nu iets van onvriendelijkheid in Guatemala. Er komen hier veel toeristen en we voelen beide een sfeer die we niet gewend waren. Dat uit zich de volgende dag al als op de markt van Solola de portemonnee wordt gestolen. De dieven hebben een goede dag want we hadden hem s´morgens nog gevuld. We hopen dat ze er flink dronken van worden met veel hoofdpijn. We varen meteen over het Lago Atitlan naar San Pedro. Hier heerst weer de aangename gemoedelijke sfeer die we gewend waren. We vinden er een rustig hotelletje en we besluiten er een week spaans te gaan leren bij de plaatselijke school. Ons spaans is nog steeds op het tarzan niveau en we willen nu maar eens serieus gaan leren. Het hele weekend sluiten we ons op en leren zoveel mogelijk nieuwe woorden uit het woordenboek. s¨Maandags beginnen de lessen met ieder een eigen docent, vier uur per dag, vijf dagen achtereen. Het is reuze interessant. Enerzijds leren we veel over Guatemala, de mensen, de politiek en de recente burgeroorlog. Daarnaast wordt er s´avonds een aantal films over Guatemala getoond en we leren nog wat spaans ook. Wel is waar spreken we nog verre van vloeiend, maar we kunnen nu zinnen maken en verstaan het veel beter. Als we de zaterdag erna vroeg op pad gaan om de San Pedro vulkaan te beklimmen voelt Inge zich niet lekker: buikkrampen. Hoewel dat erg hinderlijk is als je een steile vulkaan opkllimt , komen we toch boven. Bijna iedereen is hier met een gids, want er zouden bandieten rondlopen. We kunnen ons niet voorstellen dat een knaapje met een machete voldoende bescherming biedt tegen bandieten. Onzze gids was een hond die vanuit het dorp met ons meeliep tot boven op de vulkaan en weer terug. Als we weer beneden zijn wordt Inge pas echt ziek met de wc als vast woon en verblijf plaats. Na wat chemicalien te hebben ingenomen gaat het langzaamaan wat beter zodat we verder kunnen naar Antigua. We nemen het bootje naar Santiago Atitlan, vanwaar we over een redelijke asfalt weg om het meer heen fietsen. Na San Lucas Toliman begint het weer echt te klimmen en wordt het luie zweet er in korte tijd uitgejaagt. In Godinez mogen we bij een keurige familie in het naaiatelier slapen. We vervolgen onze weg naar Patzun door fantastisch berglandschap, steile kloven en valleien met pijnboombossen. We rijden over de ouden Pan-America die na diverse aardbevingen dermate beschadigd was dat er een nieuwe gemaakt is, minder steil en breder. Soms is het asfalt verdwenen en fietsen we door het stof. In Patzun is het weer marktdag en zien de vrouwen er weer prachtig uit. Nu is het nog een klim en voor de rest afdalen naar Chimaltenago. Na een dag rijden we door naar Antigua waar de heilige week begint.